Terug naar het plan

De evangeliën, één hoofdstuk tegelijk / Lezen 82 Van 90

Johannes 14

Johannes 14:1–31 · NLD19175 minuten Bijbellezen

BIJBELPASSAGE · DE HEILIGE SCHRIFT 1917

Johannes 14:1–31

1Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij.

2In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.

3En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.

4En waar Ik heenga, weet gij, en den weg weet gij.

5Thomas zeide tot Hem: Heere, wij weten niet, waar Gij heengaat; en hoe kunnen wij den weg weten?

6Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.

7Indien gijlieden Mij gekend hadt, zo zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu kent gij Hem, en hebt Hem gezien.

8Filippus zeide tot Hem: Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg.

9Jezus zeide tot hem: Ben Ik zo langen tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons den Vader?

10Gelooft gij niet, dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelven niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Dezelve doet de werken.

11Gelooft Mij, dat Ik in den Vader ben en de Vader in Mij is; en indien niet, zo gelooft Mij om de werken zelve.

12Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en zal meerder doen, dan deze; want Ik ga heen tot Mijn Vader.

13En zo wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen; opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde.

14Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen.

15Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden.

16En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid;

17Namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn.

18Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u.

19Nog een kleinen tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven.

20In dien dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u.

21Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.

22Judas, niet de Iskariot, zeide tot Hem: Heere, wat is het, dat Gij Uzelven aan ons zult openbaren, en niet aan de wereld?

23Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.

24Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet; en het woord dat gijlieden hoort, is het Mijne niet, maar des Vaders, Die Mij gezonden heeft.

25Deze dingen heb Ik tot u gesproken, bij u blijvende.

26Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.

27Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd.

28Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen, en kom weder tot u. Indien gij Mij liefhadt, zo zoudt gij u verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot den Vader; want Mijn Vader is meerder dan Ik.

29En nu heb Ik het u gezegd, eer het geschied is; opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt.

30Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets.

31Maar opdat de wereld wete, dat Ik den Vader liefheb, en alzo doe, gelijkerwijs Mij de Vader geboden heeft. Staat op, laat ons van hier gaan.

Johannes 14:1–31 · De Heilige Schrift 1917 (NLD1917)

Het volledige hoofdstuk openen

REDACTIONELE REFLECTIE · GEEN SCHRIFT

Voordat je verder gaat

Tomas vraagt naar de weg, en Filippus vraagt naar de Vader. Jezus brengt hun vragen in een gesprek over vertrouwen, zijn relatie met de Vader en de volgende Helper. Zijn belofte van vrede gaat vooraf aan afscheid, het voorbereiden van de discipelen op afwezigheid en voortdurende relatie.

Lees de passage opnieuw als je wilt. Merk op welk woord, actie of vraag bij je blijft. Je kunt een lezing afmaken zonder er over na te denken.

EEN MOMENT OM NA TE DENKEN

Welke vraag van Thomas of Filippus kun je begrijpen? Welk deel van Jezus' reactie blijft vooral bij je?

EEN RUIMTE VOOR JE EIGEN WOORDEN

Een gedachte om te bewaren.

Alleen bewaard in deze browser op dit apparaat. Je woorden worden niet naar ons gestuurd. Als je de browsergegevens wist, verdwijnen ook deze notities.

Schrijf een paar woorden wanneer je eraan toe bent.

Vooruitgang wordt opgeslagen in deze browser, onafhankelijk van de app.